
Ik sta al een tijdje bekend als iemand die net iets te veel tijd steekt in het bestuderen van onverklaarbare fenomenen. Kringetjes in graanvelden, lichtflitsen boven de oceaan, de verdwijning van mensen die nooit meer opduiken. Vrienden begroeten mij tegenwoordig met de vraag of ik al weet wie er echt achter de maan zit. Ik vind dat een redelijke openingszin voor een gesprek. Maar mijn nieuwste obsessie heeft alle anderen van de troon gestoten, en ditmaal gaat het niet over iets wat zich buiten het zicht van satellieten afspeelt. Het speelt zich af op 2,5 bij 2,5 meter, op één hoog, uitkijkend op een parkeerterrein en de balkonnetjes van de buren.
Ik ben een voedselbos begonnen op mijn balkon.
Ik weet het. Ik hoor het zelf ook. Maar luister. Inmiddels staan er twee kweekkassen, een bak vol bloemen, een struik met fruit, een olijfboom die meer zelfvertrouwen uitstraalt dan de meeste mensen die ik ken, een bankje waar ik nooit op zit omdat er geen ruimte meer is, en een hoeveelheid potten die ik zelf niet meer kan overzien. Ik heb tomaten gezaaid, aardbeien, spinazie, courgette, aubergine, radijs en nog veel meer. Ook heb ik kruiden in hoeveelheden die ik waarschijnlijk pas begrijp als ze allemaal tegelijk ontkiemen en ik plotseling verantwoordelijk ben voor een kleine boerenmarkt.
Het is begonnen als iets wat op een hobby leek, maar dat stadium is inmiddels stilletjes gepasseerd. Ik sta ermee op. Ik ga ermee naar bed. Tijdens mijn dagelijkse bezigheden denk ik aan mijn basilicum. Ik check de kassen zoals andere mensen het weerbericht checken, met die mengeling van hoop en angst die alleen mensen kennen die ergens op wachten wat ze niet kunnen controleren.
Want dat is het mooie, en ook de reden waarom ik het niet meer loslaat: het werkt allemaal samen op een manier die me elke dag weer verwondert.
Dat gevoel van verwondering over hoe alles samenwerkt is trouwens niet nieuw voor mij. De kringloop van de natuur heeft me al gefascineerd zolang ik me kan herinneren. Hoe er niets werkelijk verdwijnt, hoe elk schakeltje in dienst staat van het volgende. Hoe een dood blad uiteindelijk bijdraagt aan een tomaat die bijdraagt aan een maaltijd die bijdraagt aan een mens die weer ergens anders energie in steekt. Het is een systeem zo elegant en zo oud dat het bijna aanmatigend voelt om er iets over te zeggen. Maar wat ik nu anders ervaar, is dat ik er niet langer alleen naar kijk. Ik doe er aan mee. Bewust, met mijn handen, op een klein balkon. Ik kies wat ik zaai, ik let op wat wat nodig heeft, ik reageer op wat er groeit. En dat meedoen, dat kleine, tastbare onderdeel zijn van iets wat veel groter is dan mijn balkon of mijn stad of mijn zorgen van die dag, dat geeft een soort voldoening die ik nergens anders zo puur tegenkom.
De kassen houden warmte en vocht vast, zodat de zaailingen beschermd opkomen. De bloemen trekken bestuivers aan, die ook mijn groenten langs gaan. Alles heeft een functie, alles reageert op alles, en ik hoef er nauwelijks iets voor te doen behalve aanwezig te zijn en het goed te bedoelen. Dat is voor mij een verademing, want in de meeste andere domeinen van mijn leven werkt dat niet zo.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over het wormenhotel dat er binnenkort ook nog bij komt. Ja, een wormenhotel. Het klinkt als iets wat ik ter plekke verzin, maar het is een composteersysteem waarbij wormen organisch afval omzetten in voedingsstoffen voor de bodem. Ze eten je groente- en fruitafval, koffiedik, eierschalen, en wat ze produceren is puur goud voor planten. Het heet wormenmest. Dat klinkt minder romantisch dan het is, want feitelijk gesproken geef ik mijn planten over een paar weken een zelfvoorzienend voedingssysteem cadeau. De kringloop is compleet. Ik word emotioneel als ik erover nadenk. Dat zeg ik zonder ironie.
Gisteren heb ik nog een gesprek gehad met mijn komkommer. Hij staat nu buiten de kas, iets wat ik een paar dagen geleden als onverantwoord had beschouwd, maar hij doet het fantastisch. Ik heb hem dat gezegd. Dat ik trots op hem ben. Hij reageerde niet verbaal, maar hij stond er stevig bij, en dat voelde als een bevestiging. Mijn therapeut zou hier waarschijnlijk iets interessants over te zeggen hebben. Ik ga hem er niet over vertellen.
Er zit ook een praktische dimensie aan dit alles, en die is de laatste tijd steeds meer gaan wegen. We maken ons collectief zorgen over de toestand van de wereld. De geopolitieke situatie is wat ze is, de prijzen in de supermarkt gaan één kant op, en het gevoel dat dingen buiten onze controle vallen is voor velen van ons een constante achtergrondmuziek. Mijn balkon is geen oplossing voor dat alles, dat weet ik ook wel. Maar als de oogsten een beetje meevallen, kan ik straks mijn eigen tomaten eten, verse kruiden plukken bij het koken, en misschien iets geven aan de buren als goodwill en strategische alliantie tegelijk. Je weet maar nooit wanneer je iemand nodig hebt die een oog in het zeil houdt als jij er niet bent.
Eerlijk gezegd is dat ook precies het punt. Niet de zelfvoorzienendheid als eindstation, maar het besef dat je met een klein beetje aarde, wat zaadjes en de bereidheid om er aandacht aan te geven iets tot leven kunt wekken. Dat is een idee dat ik niet meer kwijt wil. Dat mijn balkon, midden in de drukte boven een winkelgebied, een plek is geworden waar dingen groeien die er een paar maanden geleden nog niet waren.
Gisteren zag ik de eerste echte bloem aan mijn aardbeienplant. Ik heb een foto gemaakt en heb hem aan drie mensen gestuurd. Niemand reageerde zo enthousiast als ik hoopte. Maar dat geeft niet. Straks stuur ik ze een aardbeitje, en dan zien we wel wie er enthousiast is.
