Ik had ooit twee manuscripten. Dat klinkt ambitieuzer dan het is. Ze lagen al vijf, zes jaar op een plank, maar niet letterlijk. Ze zaten in mijn brein en in de cloud, al jaren in de fase “in ontwikkeling”. Zo’n soort plank dus. Met stof. Het soort stof dat je alleen krijgt als je iets jarenlang niet aanraakt omdat je er geen zin in hebt. Of er bang voor bent. Of allebei.
Zo eens per jaar opende ik de bestanden even, scrolde wat, deed alsof het nu echt tijd was. Soms las ik een zin en dacht: oh nee, dit is zo slecht dat ik beter koffie kan zetten. Dan vergat ik de bestanden weer voor een jaar. Of twee jaar. Soms dacht ik dat ze op een geheime manier leefden als ik niet keek: dat ze fluisterden tegen elkaar over mijn twijfel.
Het zijn non-fictie projecten. Dingen waar ik ooit aan begon met overtuiging, vuur, urgentie. En die ik toen… niet afmaakte. Niet omdat ik het niet kon, maar omdat ik halverwege dacht: wie denk jij eigenlijk dat je bent?
Die gedachte kwam niet één keer. Die kwam structureel. Telkens als ik het mapje opende. Telkens als ik een alinea teruglas.
Wie zit hier op te wachten?
Denk je nou echt dat jij hier iets zinnigs zegt?
Soms zat ik met mijn kopje koffie in de hand, bleef ik staren naar het scherm en dacht: misschien is het beter als ik even ga wandelen, dan verdwijnt die gedachte vanzelf. Maar hij verdween nooit.
En omdat ik journalist ben, weet ik precies hoe verraderlijk zo’n stem is. Ik herken framing, retoriek en dat soort bullshit. Maar deze stem woont in mijn hoofd. Die klinkt vertrouwd. Die klinkt redelijk. Die klinkt als iemand die zegt dat hij je alleen maar wil beschermen. Alleen beschermt hij niet, hij blokkeert. En dat is erger.
Dus liet ik ze liggen. Jarenlang. Af en toe verplaatste ik ze. Gaf ze een nieuwe mapnaam. Een nieuwe volgorde. Alsof dát het probleem was. En af en toe stond ik het punt om ze maar gewoon te verwijderen, zodat ik er vanaf zou zijn. Maar iets hield me tegen.
Dat steeds maar zichzelf herhalende proces bleef doorgaan, tot er iets raars gebeurde: ik begon er weer aan te werken. Aan allebei. Zonder groot besluit, zonder heroïsch moment. Meer uit irritatie, denk ik, omdat ik mezelf een beetje zat was. En omdat het leven inmiddels vaak genoeg had laten zien dat wachten tot je er “klaar” voor bent geen strategie is. Dus ging ik zitten. Op de bank, met de laptop op schoot, een halfvolle mok thee en een notitieboek dat er al weken lag te wachten.
Een manuscript is nu af. Dat voelt nog steeds onwerkelijk. Niet euforisch, niet groots. Meer alsof je een kamer opruimt die al jaren dicht was en je ineens denkt: oh ja. Dit was er ook nog!
Het andere ben ik aan het schrijven. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het is rommelig, vol twijfel, soms goed en soms ronduit slecht. Op sommige dagen lees ik terug en denk ik: ja, dit klopt. Op andere dagen vraag ik me af waarom ik mezelf dit aandoe. Maar goed, dat is schrijven. En ja, ik vind het doodeng. Niet het schrijven zelf, maar het idee dat het straks niet meer alleen van mij is. Dat iemand anders er iets van vindt. Dat iemand denkt: nou, dit had ze beter niet kunnen doen. Of erger nog: dat iemand precies begrijpt wat ik bedoel.
Mijn innerlijke criticus is in deze fase bijzonder actief. Die hoeft niet te schreeuwen. Die hoeft alleen maar te fluisteren.
Het is wel erg veel, vind je niet?
Misschien overschat je jezelf.
Er zijn mensen die dit beter kunnen.
Het irritante is: hij heeft niet eens ongelijk. Er zijn mensen die dit beter kunnen. Maar dat is een non-argument. Er zijn ook mensen die beter koken, beter liefhebben, beter leven. Toch eten we. Toch verbinden we. Toch doen we het.
Dus werk ik door. Niet dapper, maar koppig – wat, als we eerlijk zijn, toch wel een van mijn meest overheersende eigenschappen is.
Ik ga zitten, open het document en denk: oké, eens zien wat vandaag gaat brengen.
Soms schrijf ik een alinea waarvan ik denk: dit kan ermee door.
Soms denk ik: waar ben ik in godsnaam mee bezig?!
Maar ik doe het maar mooi. Dat is iets wat ik vijf, zes jaar lang niet kon zeggen.
Deze week komt de proefdruk. Dat is zo’n zin die ik hardop moet zeggen om hem te laten landen. Proefdruk. Er komt dus een doos met een boek erin en mijn woorden. Ik merk dat ik dat nog steeds een beetje voorzichtig formuleer, alsof ik het anders kan laten verdwijnen. Alsof het helpt om er niet te groots over te praten.
En nee, daarmee zijn die innerlijke stemmen niet weg. Die blijven. Ze fluisteren nog steeds dat het niet goed is. Maar ze bepalen niet meer wat ik doe. Ze mogen er zijn, maar ze zitten niet aan het stuur.
Misschien is dat wel wat deze hele omweg me heeft geleerd. Niet dat angst verdwijnt als je dapper genoeg bent, maar dat je niet hoeft te wachten tot hij weg is. Dat kwetsbaarheid – het delen, het zichtbaar maken – hoe ongemakkelijk ook, uiteindelijk minder beklemmend is dan alles voor jezelf houden. Dat laatste voelt veilig, maar is het niet. Het is kwetsbaar om te laten zien wat er in mij leeft. Om mijn binnenwereld met de buitenwereld te delen. Om mijn fantasie de vrije loop te laten, gemengd met een stukje maatschappelijk besef (want dat kon ik uiteraard niet laten, en dat zit er ook in). En misschien zit niemand daar op te wachten. Maar is dat een reden om jezelf tegen te houden?
Er komt dus een non-fictie boek van mijn hand. Binnenkort misschien een tweede. Ik vind dat spannend, maar ik heb het maar mooi gedaan. En dat is, voor nu, genoeg.
