Het is oktober 2019, en Sarah Mitchell staat stil in een van de smalle gangen op de derde verdieping van Bran Castle. De Britse toerist is hier met een groep vrienden, maar op dit moment is ze alleen. De anderen zijn verder gelopen, hun stemmen echoën ergens beneden door de stenen corridors. Sarah wil hen volgen, maar iets houdt haar tegen. Een gevoel dat ze niet kan verklaren, een gewicht in de lucht dat haar vastpint op de plek waar ze staat.

Dan voelt ze het. Een lichte aanraking op haar schouder, alsof iemand met vingertoppen haar kleding streelt. Ze draait zich om. Niemand. De gang achter haar is leeg, een lange tunnel van steen en hout die eindigt in een raam waar het middaglicht doorheen filtert. Maar de aanraking was echt. Sarah weet dat ze het zich niet heeft verbeeld.
En dan ruikt ze het. Een geur die niet thuishoort in een middeleeuws kasteel, een zoete, bloemige parfum die door de lucht drijft alsof iemand zojuist langs is gelopen. Rozen, denkt ze. Of iets dat op rozen lijkt. De geur blijft hangen, wordt sterker, en verdwijnt dan plotseling alsof hij nooit bestaan heeft.

Sarah rent. Ze rent door de gang naar beneden, de stenen treden af, totdat ze haar vrienden vindt in de grote hal. “Er was iemand,” zegt ze hijgend. “Iemand raakte me aan, en die geur…” Haar vrienden kijken elkaar aan. Een van hen, een lokale gids, glimlacht flauw. “Koningin Marie,” zegt hij laconiek. “U bent niet de eerste. En u zult niet de laatste zijn.”

Later die avond, terug in hun hotel in Brașov, zoekt Sarah online naar verhalen over Bran Castle. En daar vindt ze het, keer op keer dezelfde ervaring beschreven door andere bezoekers. De aanraking. De parfum. Altijd op de derde verdieping, altijd in de kamers die ooit van koningin Marie waren. Sommige mensen beweren haar zelfs te hebben gezien bij het raam bij schemering, naar buiten starend alsof ze nog steeds waakt over haar geliefde kasteel.

Sarah Mitchell is niet de enige. Door de jaren heen hebben honderden bezoekers vergelijkbare ervaringen gemeld in Bran Castle. Kinderen die je hoort lachen op lege binnenplaatsen. Schaduwen die bewegen waar geen mens loopt. Fluisteringen in gangen waar niemand is. En altijd, altijd die geur van rozen die verschijnt en verdwijnt als een geest.

Een vesting geboren uit noodzaak
Om te begrijpen waarom Bran Castle zo’n reputatie heeft, moeten we terug naar het begin. Terug naar 1377, toen koning Lodewijk I van Hongarije toestemming gaf aan de Saksische burgers van Brașov om een kasteel te bouwen. Het was geen cadeau. De Saksen moesten het zelf betalen, zelf bouwen, met hun eigen handen en hun eigen geld. En dat deden ze, omdat ze geen keus hadden.

De Ottomaanse dreiging was echt. Het Ottomaanse Rijk breidde zich naar het noorden uit, en de bergpas tussen Transsylvanië en Walachije was een vitale handelsroute die beschermd moest worden. Dus bouwden de Saksen een kasteel op een rotsachtige klif, strategisch gepositioneerd om de vallei te overzien. Tegen 1388 was de bouw voltooid. Het kasteel diende twee doelen: het was een verdedigingsfort tegen de Turken, en het was een douanepost waar drie procent belasting werd geheven op alle goederen die tussen de provincies werden verhandeld.

Het kasteel had geen luxe. Het had geen comfort. Het was gebouwd om te overleven, om weerstand te bieden, om te dienen. Dikke stenen muren, smalle ramen, steile trappen die gemakkelijk te verdedigen waren. In de kelder groeven ze een put van achttien meter diep, dwars door massief gesteente, voor watervoorziening tijdens belegeringen.

Door de eeuwen heen wisselde het kasteel van eigenaar. Prinsen, koningen, vorsten, iedereen die macht had in de regio wilde Bran Castle controleren. In 1442 weerstond het een Ottomaanse belegering. In de zestiende eeuw werd het een administratief centrum. In de achttiende eeuw raakte het beschadigd door brand en oorlog. Tegen het eind van de negentiende eeuw was het vervallen, bewoond door boswachters en houtarbeiders, zijn gloriedagen ver achter zich.

Het kasteel had de macht van verdediging verloren. Het leek bestemd om te vergaan. Maar toen, in 1920, gebeurde er iets bijzonders. De burgers van Brașov schonken Bran Castle aan koningin Marie van Roemenië. Het was een geschenk, een dankbetuiging voor haar inspanningen om Roemenië te verenigen na de Eerste Wereldoorlog. En Marie, kleindochter van koningin Victoria van Engeland, viel als een blok voor het kasteel.

Ze transformeerde het. Wat een kaal militair fort was geweest, werd een koninklijke zomerresidentie. Marie bracht kleur, elegantie en een persoonlijk tintje. Ze liet de Tsjechische architect Karel Liman komen om het kasteel te moderniseren. Ze voegde een lift toe in de oude waterput. Ze bouwde een theehuis in de tuinen. Ze vulde de kamers met kunst, met meubels, met haar eigen smaak en persoonlijkheid.

Marie hield van Bran Castle op een manier waarop ze nooit van haar man had gehouden. Hoewel ze uiteindelijk een soort vriendschap met koning Ferdinand ontwikkelde, was hun huwelijk meer plicht dan liefde. Maar Bran was anders. Bran was haar toevluchtsoord, haar vrijheid, haar plek. En toen ze stierf in 1938, wilde ze dat haar hart – haar letterlijke, fysieke hart – zou worden bewaard bij het kasteel.

Haar wens werd vervuld, zij het na een lange en pijnlijke reis. Haar hart werd eerst geplaatst in een zilveren kist in een kapel bij de Zwarte Zee. Toen die grond terugkeerde naar Bulgarije na de Tweede Wereldoorlog, haalde haar dochter Ileana het hart op. Onder het communistische regime werd de kist ontheiligd en belandde het hart decennialang in een museum in Boekarest. Pas in 2015 – zevenzeventig jaar na Marie’s dood – keerde haar hart terug naar Bran Castle, waar het nu rust in een speciaal gebouwde kapel.

De vampier die nooit bestond
Toch is Marie niet de beroemdste naam die gebonden is aan het kasteel. Wanneer de meeste mensen denken aan Bran Castle, denken ze niet aan haar. Ze denken aan Dracula. Aan vampiers. Aan Vlad de Spietser, de bloeddorstige heerser wiens naam synoniem is geworden voor horror.
Het is een associatie die meer gebaseerd is op marketing dan op feiten. Vlad III – Vlad Țepeș, Vlad Dracula – heeft waarschijnlijk nooit een voet in Bran Castle gezet. Hij woonde in Walachije, niet in Transsylvanië. Zijn kastelen waren Poenari Castle en het paleis in Târgoviște. Er is geen enkel historisch bewijs dat hij ooit eigenaar was van Bran, of er zelfs maar geweest is, behalve misschien één keer tijdens een vlucht.

Maar de legende is geboren, en eenmaal geboren is een legende moeilijk te doden. Bram Stoker’s roman Dracula, gepubliceerd in 1897, beschrijft een kasteel in de Karpaten dat op een rotswand staat. De beschrijving past bij Bran Castle. Maar er is geen bewijs dat Stoker ooit van Bran Castle wist. Hij bezocht Roemenië nooit. Hij deed zijn onderzoek in Britse bibliotheken, lezend over Roemeense folklore en geschiedenis.

Wat Stoker wel vond, was het verhaal van Vlad III. Geboren in 1431 in Sighișoara, Transsylvanië, was Vlad de zoon van Vlad II Dracul – “Vlad de Draak” – een naam die hij kreeg nadat hij lid werd van de Orde van de Draak, een christelijke ridderorde opgericht om Europa te verdedigen tegen het Ottomaanse Rijk. Dracula betekent simpelweg “zoon van Dracul” in het Slavisch. Maar in modern Roemeens betekent “dracul” ook “de duivel,” een toevallige woordspeling die perfect paste bij Vlad’s reputatie.

Vlad III was wreed. Onvoorstelbaar wreed. Zijn favoriete executiemethode – spietsen – gaf hem zijn bijnaam: Vlad Țepeș, Vlad de Spietser. Hij liet mensen langzaam aan palen rijgen, soms met afgeronde punten om interne organen te vermijden en het lijden te verlengen. Het kon uren, soms dagen duren voordat het slachtoffer stierf. En Vlad deed dit niet met enkele individuen. Hij deed het met tienduizenden.

Schattingen variëren van 40.000 tot 100.000 mensen die door Vlad op deze manier werden gedood. In 1462 trok het Ottomaanse leger onder Sultan Mehmed II – de man die Constantinopel had veroverd – op naar Walachije om Vlad te straffen. Maar toen ze Târgoviște naderden, vonden ze iets dat zelfs de geharde Ottomaanse soldaten deed terugdeinzen: een bos van gespietste mensen. Twintigduizend lichamen, langzaam aan het vergaan op palen die buiten de stad waren geplaatst. De geur was zo weerzinwekkend, het gezicht zo afschuwelijk, dat Mehmed omkeerde en terugkeerde naar Constantinopel.

Duitse pamfletten uit de vijftiende eeuw beschreven Vlad als een bloeddorstig monster. Een gedicht van Michael Beheim beschreef hoe Vlad dineerde tussen zijn gespietste slachtoffers, en beweerde zelfs dat hij zijn brood doopte in hun bloed. Of dat waar is, weten we niet, maar de verhalen verspreidden zich door Europa als een lopend vuurtje. En toen Bram Stoker op zoek ging naar een naam voor zijn vampier, vond hij “Dracula” in zijn onderzoek over Roemeense geschiedenis.
De connectie was gemaakt. En hoewel historici en literatuurwetenschappers benadrukken dat Count Dracula en Vlad III twee zeer verschillende figuren zijn – de een fictie, de ander historisch – blijft de associatie bestaan. Want Vlad’s verhaal is te perfect, te gruwelijk, te fascinerend om te negeren.

Maar waarom geloven mensen zo hardnekkig dat Vlad een vampier was? Dat begint met de folklore van Transsylvanië zelf. Lang voordat Bram Stoker zijn roman schreef, waren er in Roemenië al verhalen over strigoi – rusteloze geesten van de doden die uit hun graf opstonden bij volle maan, afkerig waren van knoflook, en het bloed van hun slachtoffers dronken. Emily Gerard, een Schotse schrijfster die in Transsylvanië woonde, publiceerde in 1885 een artikel over Transsylvaans bijgeloof dat Stoker’s aandacht trok.

Stoker combineerde de folklore van strigoi met de historische figuur van Vlad, wiens reputatie voor wreedheid al twee eeuwen door Europa circuleerde. Het resultaat was Count Dracula: een aristocratische vampier, onsterfelijk, machtig, gevaarlijk. En hoewel Stoker’s Dracula weinig gemeen heeft met de historische Vlad – de roman speelt in Transsylvanië terwijl Vlad in Walachije heerste, het kasteel in het boek is fictief, de vampier-aspecten zijn pure fantasie – is de associatie blijven plakken.
In veel opzichten is de mythe van Dracula sterker dan de geschiedenis van Vlad. Want mythen hoeven niet waar te zijn om krachtig te zijn. Ze moeten alleen resoneren.

Wat bezoekers vandaag de dag nog meemaken
Resoneren doet Bran Castle zeker. Jaarlijks bezoeken meer dan 560.000 toeristen het kasteel, velen op zoek naar Dracula, velen op zoek naar geschiedenis, en sommigen op zoek naar iets anders. Iets dat ze niet helemaal kunnen benoemen totdat ze het ervaren.
De meest hardnekkige verschijning is, zoals Sarah Mitchell ontdekte, koningin Marie zelf. Bezoekers beweren haar aanwezigheid te voelen in de kamers waar ze van hield. Sommigen vangen een vleugje van haar favoriete parfum terwijl ze door de gangen lopen. Anderen zien haar spookachtige figuur bij een raam bij schemering, alsof ze nog steeds uitkijkt over het landschap dat ze zo liefhad.

In een kapel corridor op de tweede verdieping rapporteren bezoekers fluisteringen en lichte aanrakingen die worden toegeschreven aan een monnik die volgens de legende levend ingemetseld werd in de muren. Het verhaal gaat dat hij verraden werd, dat hij iets wist dat hij niet mocht weten, en dat zijn rusteloze geest nog steeds aan die muren gebonden is.

Dan zijn er de kinderen. Volgens lokale folklore was het kasteel ooit de plaats van een bloedbad tijdens een belegering, waarbij veel kinderen omkwamen. Vandaag, zo beweren bezoekers, spoken hun geesten nog steeds over het kasteelterrein. Mensen horen zwak, speels gelach op de binnenplaatsen en in de tuinen, zelfs wanneer er geen kinderen aanwezig zijn. Sommigen hebben spookachtige figuren van kinderen gezien die verstoppertje spelen tussen de bomen, om vervolgens in het niets te verdwijnen.

Paranormale onderzoekers die naar Bran Castle komen, rapporteren consistent bepaalde fenomenen. Onverklaarbare bollen van licht op foto’s. Schaduwfiguren die door gangen bewegen. Electronic Voice Phenomena (EVP) opnames, die onidentificeerbare fluisteringen en kreten oppikken. Plotselinge koude windvlagen in afgesloten kamers. Het gevoel van bekeken worden, zelfs wanneer je alleen bent.

Een paranormale onderzoeker uit Tampa, Florida, bezocht het kasteel in 2021 en gebruikte een EMF-meter en een spirit box in de ondergrondse gangen. Een EMF-meter (Electromagnetic Field meter) is een apparaat dat wordt gebruikt tijdens ‘ghosthunten’ om schommelingen in elektromagnetische velden te meten. Het idee hierachter is dat paranormale entiteiten (spoken) energie afgeven of manipuleren, wat leidt tot onverklaarbare pieken in de EMF-waarden. Volgens haar rapport piekte de EMF-meter meermaals zonder duidelijke elektronische bron, en de spirit box – een apparaat dat snel door radiofrequenties scant om communicatie met geesten mogelijk te maken – produceerde woorden die leken te reageren op haar vragen. “Marie,” hoorde ze meerdere keren. En daarna: “thuis.”

Sceptici wijzen op de kracht van suggestie, op de menselijke neiging om patronen te zien waar geen patronen zijn, op de atmosfeer van het kasteel zelf die de verbeelding aanwakkert. En daar zit waarheid in. Bran Castle is een gotische droom – of nachtmerrie – met zijn smalle wenteltrapjes, lage, gewelfde deuropeningen en getimmerde kamers. De zwakke verlichting en krakende vloeren geven het een onheilspellende kwaliteit. Schemertochten versterken het effect: schaduwen worden langer, de lucht wordt stil, en elke voetstap echoot als een waarschuwing. Maar dat neemt niet weg dat bezoekers er dingen ervaren waar ze geen logische verklaring voor kunnen vinden.

Voor velen zijn de griezeligste ruimtes de ondergrondse gangen, waar de temperatuur merkbaar daalt en vreemde geluiden aanhouden, zelfs wanneer het kasteel leeg is. Paranormale groepen houden af en toe nachtonderzoeken, rapporteren daarbij onverklaarbare metingen en af en toe een glimp van beweging in anders afgesloten kamers.

Maar misschien gaat het niet om de vraag of deze dingen “echt” zijn in wetenschappelijke zin. Misschien gaat het om wat ze betekenen. Bran Castle staat als monument voor de lagen van geschiedenis – Saksische verdediging, Ottomaanse belegeringen, koninklijke liefde, communistische ontheiliging, en uiteindelijk een toeristische wedergeboorte. In al die lagen hebben mensen geleefd, geleden, liefgehad en zijn ze gestorven.
Die emoties, verhalen en levens hebben sporen achtergelaten in de stenen muren. Misschien niet als geesten in de traditionele zin, maar als echo’s, als herinneringen die in het kasteel zelf zijn geweven. En sommige mensen, mensen zoals Sarah Mitchell, zijn gevoelig genoeg om die echo’s te horen.

De erfenis van bloed en schoonheid
Vandaag is Bran Castle een museum, bezit van de nakomelingen van koningin Marie. Het is open voor het publiek, met kamers die zorgvuldig zijn gerestaureerd om het leven van zijn vroegere bewoners te tonen. De slaapkamer van de koningin, de slaapkamer van de koning, de muziekkamer – elk versierd met prachtig antiek meubilair en decoratieve objecten.

Het kasteel organiseert ook culturele evenementen door het jaar heen. Kunsttentoonstellingen, muziekfestivals, traditionele Roemeense ambachtsbeurzen. En natuurlijk Halloween, wanneer het kasteel zijn volledige gotische potentieel omarmt met spooktochten, thema-evenementen, en zelfs een jaarlijkse wedstrijd waarbij bezoekers de kans krijgen om een nacht in het kasteel door te brengen.

Maar ondanks alle modernisering, toerisme en alle pogingen om Bran Castle te presenteren als een historisch monument en museum, blijft de reputatie bestaan. De reputatie van een plek waar de grens tussen verleden en heden dunner lijkt dan elders. Waar de doden misschien niet helemaal dood zijn. Waar koningin Marie misschien nog steeds door haar geliefde kamers loopt, waar kinderen nog steeds spelen in de tuinen en waar iets – of iemand – nog steeds waakt.

Misschien is dat precies zoals het hoort. Want Bran Castle is meer dan alleen een gebouw. Het is een verhaal, een mythe, een legende die blijft evolueren. Het is de plaats waar Vlad de Spietser werd getransformeerd in Dracula, de vampier. Waar een Saksisch fort een koninklijk paleis werd. Waar geschiedenis en fantasie zo grondig met elkaar verweven zijn dat ze niet meer te scheiden zijn.

Als je ooit Bran Castle bezoekt – en je zou moeten gaan, want het is adembenemend mooi – let dan op in de smalle gangen op de derde verdieping. Adem diep in. En als je een zoete, bloemige geur ruikt die er niet zou moeten zijn, een vleugje van rozen in een kamer zonder bloemen, dan weet je dat koningin Marie er nog steeds is. Nog steeds waakt over haar geliefde kasteel. Nog steeds thuis is.
Want sommige liefdes zijn sterker dan de dood. En sommige plaatsen laten hun bewoners nooit helemaal los.