
Het is 14 juni 1969, een warme zaterdagmiddag in de Great Smoky Mountains van Tennessee. William Martin leunt achterover tegen een boom in Spence Field en kijkt hoe zijn zesjarige zoon Dennis samen met drie andere jongens een grap voorbereidt. De kinderen willen de volwassenen laten schrikken, een klassiek verstoppertje-spelletje dat ze al de hele dag spelen op deze eerste overnachtingstocht van Dennis. Het jongetje draagt een felrood T-shirt, een kleur die opvalt tussen het groen van het bos. William kan hem makkelijk zien terwijl Dennis achter een struik verdwijnt, giechelend van opwinding.
Drie minuten later rennen de andere drie jongens lachend tevoorschijn uit het struikgewas. William lacht mee, wacht op zijn zoon. Maar Dennis komt niet. William roept zijn naam. De wind fluistert door de bomen, maar verder hoort hij alleen stilte. Hij roept harder, zijn stem een beetje scherper nu. Nog steeds niets. William rent naar de plek waar hij zijn zoon voor het laatst zag verdwijnen. Geen rode vlek tussen de bladeren. Geen geluid van een zesjarige die zich verstopt. Dennis Martin is verdwenen, en hij is nooit meer gezien.
Die avond wandelt Dennis’ grootvader, Clyde Martin, 14,5 kilometer door het donker naar het rangersstation om alarm te slaan. Tegen de tijd dat hij aankomt, breekt er een onweersbui los boven de bergen die acht centimeter regen in enkele uren tijd laat vallen. Elk spoor dat Dennis misschien had achtergelaten, wordt weggespoeld door het water dat van de hellingen stroomt.
De volgende ochtend begint de grootste zoekoperatie in de geschiedenis van de Amerikaanse nationale parken. Veertienhonderd mensen zoeken uiteindelijk naar de kleine jongen met het rode shirt, maar ze vinden alleen een sok en een schoen. Dennis blijft spoorloos.
Het verhaal zou misschien eindigen als een tragisch ongeluk, een kind dat verdwaalde in de uitgestrektheid van de bergen, ware het niet dat er die middag iets anders gebeurde. Ongeveer een uur nadat Dennis verdween, zo’n acht kilometer verderop bij een plek die Sea Branch heet, hoorde toerist Harold Key een geluid dat hij later beschreef als een “enorme, misselijkmakende schreeuw”. Kort daarna zag hij iets wat hij de rest van zijn leven zou blijven volhouden: een grote, onverzorgde, harige man die door het bos rende. De man droeg iets over zijn schouder dat rood leek, iets dat eruitzag als stof of kleding.
De FBI onderzocht Keys verhaal maar concludeerde dat er te veel tijd tussen de waarneming en de verdwijning zat, en een te grote afstand. Maar de familie Martin bleef geloven dat er meer aan de hand was dan een gewoon ongeluk.

Bergen ouder dan bomen
De Appalachen strekken zich uit over 2.400 kilometer, van Newfoundland in Canada tot diep in Alabama. Het is een gebied waar de tijd zichtbaar is gemaakt in steen en aarde en waar de rotsen in het hart van de bergen meer dan 1,2 miljard jaar oud zijn. Om dat in perspectief te plaatsen: deze bergen waren al oud toen de eerste bomen op aarde verschenen. Ze waren er al voordat vissen botten ontwikkelden, voordat het eerste dier over het land liep, voordat de eerste haai door de oceanen zwom. De Appalachen zijn ouder dan bijna al het leven dat we kennen.
Die ouderdom hangt over het landschap zoals de mist die tussen de bomen drijft, een voelbare aanwezigheid van wat geologen “diepe tijd” noemen. Het creëert een gevoel dat moeilijk onder woorden te brengen is, een besef dat je loopt over iets dat zoveel groter en ouder is dan jij, dan je eigen soort, dan alles wat je ooit hebt gekend. En met dat besef komt iets anders, iets dat mensen die alleen in deze bossen lopen vaak beschrijven als een ongemak, een onbehaaglijk gevoel van “andersheid” dat psychologen Sylvan Dread noemen. Sylvan Dread verwijst naar een gevoel van diepe, vaak ongrijpbare angst of ongemak dat verbonden is met bossen en wildernis, waarbij het woord Sylvan verwijst naar bossen of bomen. Het is dus letterlijk “de angst van het bos” of een soort natuurlijke, existentiële dreiging die de stilte en isolatie van bosrijke gebieden oproept.
De mensen die hier wonen hebben geleerd om met dat gevoel te leven. Generaties lang geïsoleerd door de geografie hebben ze tradities ontwikkeld, regels die ze doorgeven van ouders aan kinderen. Het zijn geen regels die uitgelegd worden met wetenschappelijke argumenten, maar regels die simpelweg worden geleerd omdat de ervaring heeft uitgewezen dat het slim is om ze te volgen.
“If you hear, see, or smell something strange in the woods at night – no, you didn’t.”
(Als je ’s nachts iets vreemds hoort, ziet of ruikt in het bos – nee, dat deed je niet.)
Het spreekwoord klinkt als een ontkenning, maar het is een overlevingsstrategie. Want wie erkent wat ze zien, wie antwoordt op wat ze horen, die nodigt “het” uit. Er zijn meer van deze regels, allemaal even simpel en onverbiddelijk.
If you hear your name called in the woods – no you didn’t.
(Als je je naam hoort roepen in het bos – nee, dat deed je niet.)
If you hear whistling at night – no you didn’t.
(Als je ’s nachts gefluit hoort – nee, dat deed je niet.)
Deze zinnen zijn geen folklore voor toeristen. Het zijn waarschuwingen geworteld in ervaring, in verhalen die te vaak voorkomen om als toeval te worden afgedaan. Want in de Appalachen gebeuren dingen die niet passen in onze gewone begrippen van hoe de wereld werkt.
Vreemde stemmen
Op een avond in oktober 2019 plaatst een vrouw uit oostelijk Kentucky een bericht op een online forum over paranormale verschijnselen. Ze beschrijft hoe ze een week eerder op haar veranda zat, genietend van de stilte van de schemering, toen ze haar hond hoorde blaffen achter het huis. Het was een scherp, dringend geluid, het soort geblaf dat betekent dat er iets mis is. Ze stond op om te gaan kijken, maar stopte ineens, midden in haar beweging. Haar hond lag naast haar, diep in slaap, zijn warme lichaam tegen haar been. Het geblaf klonk opnieuw, precies zoals haar eigen hond. Maar wat ze hoorde was niet haar hond.
Het patroon herhaalt zich door de hele Appalachen, verhalen die zoveel op elkaar lijken dat ze moeilijk te negeren zijn. Mensen die hun eigen naam horen roepen in een stem die precies klinkt als hun moeder, terwijl hun moeder honderden kilometers ver weg woont. Wandelaars die vrienden horen schreeuwen om hulp, een geluid dat zich eindeloos herhaalt alsof het gevangen zit in een lus. Kinderen die hun vader horen fluiten in het bos, precies de melodie die hij altijd fluit, maar als ze naar buiten rennen is er niemand.
De folklore noemt deze verschijnselen Appalachian Mimics, entiteiten die de stemmen van geliefden kunnen imiteren om mensen dieper het bos in te lokken. Martha Crenshaw uit Kentucky verdween in de jaren twintig nadat ze volgens getuigen haar broer hoorde roepen vanaf de rivieroever. Haar broer was die dag helemaal niet in de buurt geweest. Martha werd nooit teruggevonden. Haar verhaal is een van velen, verhalen die zich al tientallen jaren opstapelen, consistent in hun patroon maar altijd eindigend met hetzelfde: degene die antwoordt, komt niet meer terug.
Wetenschappers wijzen op infrageluid, trillingen met een lage frequentie die door wind en terrein kunnen worden gecreëerd en die auditieve hallucinaties veroorzaken. Anderen noemen pareidolia, het vermogen van onze hersenen om patronen te vinden in willekeurige geluiden. Maar de mensen die het meemaken, weten het zeker: wat zij hoorden was geen wind, geen toeval, geen hallucinatie. Het was iets dat hun naam kende, hun stem kende, en hen wilde lokken.
De werkelijke gevaren
In alle verhalen over bovennatuurlijke wezens en stemmen die niet kloppen, is er één ding dat wel degelijk verifieerbaar en dodelijk is: de bergen zelf. De Appalachian Trail, een wandelpad van 3.500 kilometer dat zich uitstrekt van Georgia tot Maine, trekt jaarlijks zo’n drie miljoen wandelaars. En hoewel de meeste veilig thuiskomen, sterven er gemiddeld twee tot drie mensen per jaar. Vaak zijn het oudere mensen die last krijgen van hun hart, of mensen die sterven door onderkoeling na een plotselinge weersverandering.
Het geval van Geraldine Largay laat zien hoe bedrieglijk deze bergen kunnen zijn. In juli 2013 verliet de zesenzestigjarige ervaren wandelaarster heel even het pad om te plassen, op minder dan honderd meter van de Appalachian Trail. Ze kwam nooit meer terug. Twee jaar later vond men haar lichaam, slechts anderhalve kilometer van het pad. Uit haar dagboek bleek dat ze zesentwintig dagen in het wild had overleefd, dat ze geprobeerd had hulp te krijgen, maar dat niemand haar had gehoord. Zesentwintig dagen, anderhalve kilometer van een druk bewandeld pad, en niemand hoorde haar.
Hoe is dat mogelijk? Het antwoord ligt in de aard van de Appalachen zelf. Waar de Rocky Mountains in het westen van Amerika dramatisch en kaal zijn, met scherpe pieken en open uitzichten, zijn de Appalachen dicht. Onvoorstelbaar dicht. De bossen in het zuiden en midden van de bergen zijn zo overvloedig begroeid dat je na vijf meter al het pad kwijt kunt raken. De bomen staan zo dicht op elkaar dat het daglicht nauwelijks de bosbodem bereikt. En als de mist komt – en de mist komt vaak – kun je geen hand voor ogen zien.
Op online forums delen wandelaars hun ervaringen met dit onderschatte gevaar, maar ook met andere vreemde zaken. Een Reddit-gebruiker schreef in 2019: “Mijn man wandelde op het pad en zag een hert dat perfect doormidden was gesneden, alleen de achterste helft was er nog. Hij zei dat het eruitzag alsof het met een laser was gesneden, zo precies. Er waren geen bloeddruppels, geen rafelige sneden of wat dan ook.”
Een andere wandelaar beschreef hoe hij op Bald Mountain lichten zag na zonsondergang, vreemde, gloeiende bollen die door de bomen dansten als spookachtige vuurvliegjes. “Sommige mensen beweren dat het de geesten zijn van Cherokee-krijgers die de wacht houden over hun heilige grond,” schreef hij. “Anderen zweren dat het bovennatuurlijke bedriegers zijn die degenen die onvoorzichtig zijn van het pad lokken. Het ene moment volg je hun gloed, het volgende struikel je rond in het pikkedonker, hopeloos verdwaald.”
Leven aan de rand van de beschaving
Misschien zijn de echte mysteries van de Appalachen niet bovennatuurlijk. Misschien zijn ze menselijk. Want door de bergen lopen verhalen over mensen die te ver zijn gegaan, die te diep het bos in zijn getrokken en nooit meer terugkwamen naar de beschaving. Verhalen over “bergmensen” die in grotten leven, die hun eigen taal spreken, die vergeten zijn hoe het is om mens te zijn.
Stephen Roy Carr was zo iemand. In 1988 woonde de negenentwintigjarige man in een grot langs de Appalachian Trail. Lokale bewoners beschreven hem als een “wilde man van de Appalachen”. Hij prefereerde de grotten en bossen boven het leven in de maatschappij, en deed opdringerige toenaderingspogingen tot vrouwelijke wandelaars. Toen Claudia Brenner en Rebecca Wight, een stel, in mei 1988 kampeerden nabij de Pennsylvania-sectie van het pad, schoot Carr hen beiden neer. Rebecca stierf ter plekke. Claudia overleefde met vijf kogelwonden en kroop acht kilometer naar hulp.
Het verhaal van Carr voedt de donkere folklore van de Appalachen: de verhalen over “wilde kannibalen” die in grotten leven en wandelaars zien als prooi. Sommige getuigen beweren dat deze verhalen gebaseerd zijn op waarheid. Tijdens de Grote Depressie, zo zegt de legende, konden sommige mensen het zich niet veroorloven om in de maatschappij te leven. Ze bouwden hun eigen geheime gemeenschappen in de bergen. Na generaties in de wildernis leven, zijn ze minder mens en meer dier geworden.
Een inwoner van oostelijk Kentucky schreef in 2018 op Reddit: “We gaan ’s nachts nooit de bossen in. Overdag blijven we op de paden. Soms ruik je het… die weeë stank. ’s Nachts hoor je ze schreeuwen. Het is niet ongewoon dat mensen hier verdwijnen. Ze worden meestal gevonden. Maar je zou verbaasd zijn hoeveel kinderen gewoon… verdwijnen.”

De Mothman en de reputatie van onheil
Voor alle voorgaande zaken zijn menselijke oorzaken aan te wijzen. Maar dat geldt lang niet voor alles in de Appalachen. Het is aan de westelijke rand van de Appalachen, waar de bergen langzaam overgaan in de vlaktes langs de Ohio-rivier, waar een van de beroemdste verhalen zijn oorsprong vindt. In november 1966 begonnen inwoners van Point Pleasant, West Virginia, meldingen te maken van een groot, gevleugeld wezen met gloeiende rode ogen. De waarnemingen stapelden zich op: meer dan honderd mensen beweerden het te hebben gezien in de weken die volgden. En toen, op 15 december 1967, precies dertien maanden na de eerste waarneming, stortte de Silver Bridge tijdens het spitsuur in. Zesenveertig mensen stierven.
Velen beweerden dat ze de “Mothman” op de brug hadden gezien in de uren voor de ramp. Was hij een voorbode? Een waarschuwing? Het verhaal leeft voort, niet omdat het bewezen is, maar omdat het past in het patroon van de Appalachen: een plaats waar normale verklaringen niet altijd voldoende lijken en waar het mysterie blijft hangen zoals de mist tussen de bergen.
Want de Mothman wordt nog steeds gezien. In 2016, vijftig jaar na de eerste waarnemingen, rapporteerden verschillende mensen in Point Pleasant opnieuw een groot, gevleugeld wezen. Linda Scarberry, een van de oorspronkelijke getuigen uit 1966, nu in de zeventig, blijft bij haar verhaal. “Wat ik zag was geen vogel,” zegt ze in interviews. “Ik weet wat ik zag.”
Ze is niet de enige. Ook de hedendaagse ooggetuigen blijven bij hun verhaal.
Het Flatwoods Monster
Wie in de Appalachen vraagt naar vreemde ervaringen, krijgt zelden een lachend schouderophalen. De namen van de fenomenen worden soms met stelligheid uitgesproken, soms met aarzeling. Dat geldt niet alleen voor de Mothman, maar ook voor vele andere verschijnselen. Op 12 september 1952, in Flatwoods, West Virginia, zagen een groep kinderen en hun moeder iets neerstorten op een nabijgelegen heuvel. Toen ze gingen kijken, troffen ze volgens hun getuigenissen een wezen van drie meter hoog aan, zwevend boven de grond, met een hoofd in de vorm van een schoppenaas en ogen die leken te gloeien. Een weeë, metaalachtige geur brandde in hun ogen.
Kathleen May, de moeder, bleef tot haar dood in 2015 bij haar verhaal. Sceptici suggereren dat het een bosuil was op een tak, waarbij schaduwen en nachtelijke omstandigheden het wezen groter maakten. Maar de getuigen aanvaarden die verklaring niet. En Flatwoods heeft het wezen omarmd. Er is een museum, reusachtige stoelen in de vorm van het monster, jaarlijkse festivals. Het verhaal is onderdeel geworden van de identiteit van de stad, zoals zoveel van deze verhalen onderdeel zijn geworden van de identiteit van de Appalachen.
De Cherokee waarschuwingen
Lang voordat Europese kolonisten voet zetten in deze bergen, waren er al verhalen. De Cherokee, die hier duizenden jaren leefden, hadden hun eigen legendes over wat er in de bossen woonde.
Er was U’tlun’ta – Spearfinger – een heks met een huid van steen en een vinger als een speer. Ze zou door de bergen zwerven, zich vermommen als een vriendelijke oude vrouw, maar haar ware aard tonen wanneer mensen dichtbij genoeg kwamen. Haar rechterwijsvinger was lang en scherp als obsidiaan, en daarmee stak ze haar slachtoffers, vooral kinderen, om hun levers te stelen.
De Cherokee vertelden dat ze uiteindelijk Spearfinger versloegen in een grote strijd, nadat een kleine vogel hen liet zien waar haar hart verborgen was: in haar hand, niet in haar borst.
Er was ook de Wampus Cat, een wezen dat half kat, half hond leek, dat op zijn achterpoten kon lopen en gele ogen had die dwars door je ziel keken. Het verhaal vertelt over een Cherokee-vrouw wier nieuwsgierigheid naar de geheime jachtrituelen van de mannen zo groot was dat ze zich wikkelde in een poema-vel om ze te bespioneren. De medicijnman ontdekte haar en vervloekte haar: ze zou voor altijd het poema-vel moeten dragen, getransformeerd in wat nu de Wampus Cat heet.
Waarnemingen gaan terug tot tenminste 1918. Door de jaren heen zijn er honderden meldingen geweest, vaak gekoppeld aan verdwenen vee of vreemde geluiden in de nacht. Mensen beschrijven een geluid van een huilende baby die verandert in een schreeuwende vrouw en dan in het krijsen van een grote kat.
Deze verhalen werden niet verteld als entertainment. Ze waren waarschuwingen, lessen over wat er gebeurt wanneer je de regels overtreedt, wanneer je te nieuwsgierig bent, wanneer je daar gaat waar je niet hoort te zijn. En die functie hebben ze nog steeds.
Brown Mountain
Een andere waarneming zijn lichten. Als je op de juiste avond bij Brown Mountain in North Carolina staat, bij een van de uitkijkpunten langs de Blue Ridge Parkway, kun je ze misschien zien. Lichten die zweven boven de bergkam, bollen van rood, blauw en wit licht die groeien, hangen, en verdwijnen. Cherokee-legenden spraken er al over rond het jaar 1200. In 1771 beschreef een Duitse wetenschapper ze als “ontvlamde nitreuze dampen”. In 1913 dacht de U.S. Geological Survey dat het koplampen van treinen waren, tot de spoorlijnen wegspoelden en de lichten bleven.
In 1982 beweerde Tommie Hunter uit Morganton dat hij een van de lichten aanraakte. “Het voelde alsof ik mijn vinger in een stopcontact had gestoken,” vertelde hij. Zes andere mensen bevestigden zijn verhaal. Professor Daniel B. Caton van Appalachian State University heeft tientallen jaren doorgebracht met het bestuderen van de lichten. Zijn beste verklaring? Bolbliksem. Maar zelfs hij geeft toe: “We weten gewoon niet wat de Brown Mountain Lights veroorzaakt.”
Nog veel meer fenomenen
De lichten zijn niet het enige wat door de bossen zwerft. In diezelfde dichte wouden waar Cherokee-legendes over Spearfinger en Wampus Cat wortel schoten, leeft een hele verzameling van wezens die de grens tussen mythe en waarneming vervagen. Sommige zijn oud, geworteld in verhalen die duizenden jaren teruggaan. Andere zijn nieuwer, geboren uit vreemde ontmoetingen die mensen tot op de dag van vandaag blijven rapporteren.
De Wood Booger is er een van. In andere delen van Amerika noemen ze het Bigfoot of Sasquatch, maar in de Appalachen heeft het wezen zijn eigen identiteit, zijn eigen naam en zijn eigen patroon van waarnemingen. Het is een harig, aapachtig schepsel dat op twee benen loopt maar zich met opmerkelijke snelheid door het struikgewas kan bewegen. Getuigen beschrijven een muffe, rottige stank die aangeeft dat het wezen in de buurt is, vaak voordat ze het zien. Die geur is zo karakteristiek dat ervaren jagers beweren te weten wanneer ze het gebied van een Wood Booger betreden, gewoon door de lucht.
Moderne waarnemingen blijven binnenstromen. In 2015 plaatste een jager uit oostelijk Tennessee een video online van vreemde, mensachtige voetstappen die hij had gevonden in de modder nabij zijn jachtkamp. De afdrukken waren meer dan veertig centimeter lang, met vijf tenen die duidelijk zichtbaar waren. “Ik jaag hier al dertig jaar,” zei hij in de video. “Ik ken elke beer, elk hert, elk dier dat hier loopt. Dit is iets anders.”
Dan zijn er de Moon-Eyed People, een legende die zo oud is dat zelfs de Cherokee het als een verhaal van “voor onze tijd” beschouwen. De Cherokee vertelden de eerste Europese kolonisten over een ras van kleine, bleekhuidige mensen met enorme ogen die niet konden zien in het daglicht. Deze Moon-Eyed People zouden in de bergen hebben gewoond voordat de Cherokee zelf in het gebied aankwamen, levend in stenen structuren. De Cherokee zouden hen uiteindelijk hebben verdreven in een nachtelijke aanval, maar hun structuren – waarvan sommige tot op de dag van vandaag bewaard zijn gebleven in North Carolina en Georgia – getuigen van hun bestaan.
Archeologen wijzen naar Fort Mountain in Georgia, waar een mysterieuze stenen muur van meer dan 250 meter lang door het bos loopt, gebouwd in een zigzagpatroon zonder duidelijk doel. Niemand weet wie het bouwde of waarom. De Cherokee beweren dat het niet hun voorouders waren. “Het was er al toen wij kwamen,” luidt het verhaal. Sommige onderzoekers suggereren dat het door de Moon-Eyed People werd gebouwd als verdediging. Anderen denken aan een vroege groep Europese ontdekkingsreizigers die de Cherokee zijn vergeten, of misschien een verloren stam die uitstierf voordat de geschiedenis hen kon vastleggen.
En dan zijn er de verschijnselen die moderner aanvoelen maar des te verontrustender zijn. Op sociale media, vooral TikTok, circuleren de laatste jaren duizenden video’s over zogenaamde Appalachian Skinwalkers. Het concept van skinwalkers komt oorspronkelijk uit de Navajo-cultuur in het zuidwesten van Amerika – kwaadaardige sjamanen die van gedaante kunnen veranderen in wilde dieren. Maar de Appalachische versie heeft zijn eigen unieke kenmerken ontwikkeld, met name het fenomeen van het “niet-hert”.
Het niet-hert ziet eruit als een gewoon hert, maar gedraagt zich volkomen onnatuurlijk. Het loopt op een vreemde manier, alsof het vergeten is hoe een hert hoort te bewegen. Het staart te lang, met ogen die te menselijk aanvoelen. Soms staat het op zijn achterpoten, of draait het zijn kop in hoeken die geen levend dier zou kunnen maken. Jagers en wandelaars die het niet-hert claimen te hebben gezien, beschrijven een diep, instinctief gevoel van “dit klopt niet”, een primitieve waarschuwing van hun onderbewustzijn dat wat ze zien niet is wat het lijkt te zijn.
In 2021 plaatste een jager uit West Virginia een trailcam-foto online die viraal ging. De foto toonde iets dat op een hert leek, maar met benen die te lang waren, een rug die te recht was, en ogen die recht in de camera keken op een manier die onmogelijk aanvoelde. “Ik ben gestopt met jagen op die plek,” schreef hij. “Wat dat ook was, het was geen hert. En ik wil niet weten wat het wel was.”
Sceptici wijzen erop dat veel van deze moderne verhalen gevoed worden door sociale media, dat mensen patronen zien waar geen patronen zijn, dat angst en verbeelding samen iets creëren dat niet bestaat. En daar zit waarheid in. Het skinwalker-fenomeen in de Appalachen is grotendeels een moderne constructie, een mengeling van Navajo-folklore en een TikTok-hype. Maar de verhalen blijven komen, en ze blijven mensen raken op een manier die verder gaat dan simpel entertainment.

De spookdorpen
Een andere vorm van “entertainment” zijn de vele ghosthunters die naar dit gebied trekken. Door de hele Appalachen liggen verlaten plaatsen, gemeenschappen die ooit bloeiden door kolenmijnbouw of bosbouw maar die nu spooksteden zijn. Huizen staan leeg met gebroken ramen, winkels zijn dichtgetimmerd, kerken zijn stil. De economische achteruitgang heeft deze plekken gecreëerd, dorpen die letterlijk van de kaart zijn verdwenen toen de mijnen sloten.
Maar de verhalen over deze plaatsen gaan verder dan economie. Mensen rapporteren stemmen in lege huizen, lichten die branden in gebouwen zonder elektriciteit, schaduwen die bewegen waar niemand zou moeten zijn. Deze verlaten plaatsen voegen een extra dimensie toe aan de reputatie van de bergen, alsof de Appalachen zelf deze gemeenschappen hebben opgeslokt, alleen hun stenen overblijfselen achterlatend als waarschuwing.
Om die reden schilderen mensen hun veranda’s in haint blue, een licht, groenachtig blauw dat volgens de traditie boze geesten afweert. De theorie is dat geesten niet over water kunnen, en dat deze tint blauw hen doet geloven dat de veranda water is. Het is een traditie die oorspronkelijk uit de Gullah-cultuur komt maar zich door de bergen heeft verspreid.
Zelfs mensen die zeggen dat ze niet in geesten geloven, schilderen hun veranda’s nog steeds haint blue. “Voor het geval dat,” zeggen ze. Want dat is de essentie van leven in de Appalachen: je neemt geen risico’s met dingen die je niet begrijpt. Je volgt de regels, ook al ken je de reden niet. Je antwoordt niet als je je naam hoort. Je fluit niet ’s nachts. Je kijkt niet te lang naar de bomen. En als je iets vreemds hoort, ziet, of ruikt in het bos – nee, dat deed je niet.
Waarom de Appalachen?
Er zijn wetenschappelijke verklaringen voor veel van wat hier gebeurt. De Mothman was misschien een verkeerd geïdentificeerde kraanvogel. De Flatwoods Monster misschien een uil. De Mimics zijn misschien infrageluid en pareidolia. De verdwijningen misschien tragische ongevallen op verraderlijk terrein. Dennis Martin verdwaalde waarschijnlijk en stierf door onderkoeling. Maar de wetenschappelijke verklaringen veranderen niets aan de ervaring. Ze veranderen niets aan wat mensen voelen wanneer ze alleen zijn in deze bossen, wanneer de mist komt en de geluiden beginnen. Ze veranderen niets aan het feit dat generaties van mensen dezelfde waarschuwingen hebben doorgegeven, dezelfde regels hebben geleerd en dezelfde angsten hebben gevoeld.
Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag of deze dingen “echt” zijn in wetenschappelijke zin. Het gaat om wat ze betekenen. De Appalachen is een plaats waar de normale regels niet helemaal lijken te gelden, waar de grens tussen verklaarbaar en onverklaarbaar dunner voelt dan elders. De geologische ouderdom – die 1,2 miljard jaar – creëert een gevoel van “diepe tijd” dat moeilijk onder woorden te brengen is. De dichte bossen en diepe valleien creëren een atmosfeer die bijna vanzelf verhalen oproept. De historische isolatie heeft geleid tot rijke mondelinge tradities waarin waarschuwingen en angsten werden verweven.
En dan is er de stereotypering. De armere, laagopgeleide bevolking van de Appalachen wordt in de media al tientallen jaren afgebeeld als gewelddadig, kannibalistisch en incestueus. Films zoals “Wrong Turn” uit 2003 versterken dat beeld: een groep mensen die afreist naar de Appalachen en wordt opgejaagd door een kannibalistische familie. Die stereotypering doet onrecht aan de werkelijke bewoners, maar voegt wel een extra laag toe aan de reputatie van de bergen.
De bergen bewaren hun geheimen
De Appalachen zijn mooi. Adembenemend. Ze trekken miljoenen bezoekers per jaar die wandelen, kamperen en de mist bewonderen die tussen de bergen hangt. De meesten komen veilig thuis. Maar sommigen niet. Voor degenen die verdwijnen, voor degenen die nooit gevonden worden, blijven er alleen vragen. En de bergen geven geen antwoorden. Ze bewaren hun geheimen, omarmen degenen die ze claimen, en fluisteren waarschuwingen aan degenen die nog steeds luisteren.
Als je ooit naar de Appalachen gaat, onthoud dan de regels. Blijf op de paden. Ga niet ’s nachts het bos in. Fluit niet. Kijk niet te lang naar de bomen. En als je je naam hoort roepen door een stem die klinkt als iemand die je kent, een stem die je vertrouwt, een stem die zegt dat alles goed komt als je maar komt kijken—
Nee. Dat deed je niet.
Draai je om. Loop terug. Ga naar huis.
Want de bergen roepen. En sommige oproepen kun je beter niet beantwoorden.
