
© Bhossfeld
Iedereen heeft ze. Dromen. Die dingen die we “ooit nog eens” gaan doen als de tijd rijp is.
Een rondreis door Azië. Een eigen bedrijf starten. Een boek schrijven. Leren schilderen. Die cursus fotografie. Dat instrument weer oppakken. Verhuizen naar het platteland. Een tuin vol groenten kweken. Parachutespringen. Een marathon lopen. Vrijwilligerswerk in het buitenland.
We verzamelen deze dromen als postzegels in een album. We bewonderen ze. We strelen ze af en toe liefdevol. We vertellen er enthousiast over op verjaardagen. “Ja, ik wil ooit echt naar Nieuw-Zeeland!” “Ik ga ooit echt mijn eigen zaak beginnen!” “Volgend jaar ga ik echt beginnen met schrijven!”
En dan… doen we het niet. Niet dit jaar. Niet volgend jaar. Niet het jaar daarna.
We hebben namelijk uitstekende redenen om het vooral nog even uit te stellen.
De wildernis die me wil vermoorden
Laat ik mezelf als lijdend voorbeeld nemen. Ik wil graag een hike maken door de wildernis, met een rugzak vol spullen, slapen onder de sterren, en één worden met de natuur. Ik zie mezelf al lopen, de wind in mijn haar, de vrijheid in mijn hart, een kampvuur ’s avonds, met gebakken bonen uit blik die ineens hemels smaken.
Prachtig toch? Totdat mijn brein zich ermee gaat bemoeien.
“Wilde dieren,” begint het behulpzaam. “Beren. Wolven. Die bestaan echt, hoor. En ze zijn dol op kampeerders. Vooral op onervaren kampeerders die niet eens kunnen rennen. Je bent een lopend buffet.”
“Maar…” probeer ik nog.
“Slapen in een tent,” gaat mijn brein door, nu op dreef. “Op de grond. Met insecten. Grote insecten. En rare geluiden. Allemaal rare geluiden. Wat als er iets aan je tent krabbelt? Wat dan?”
“Oké, maar…”
“Je gasfles. Die ontploft. Mensen zeggen van niet, maar die dingen ontploffen gewoon. Weet je nog die man die onlangs thuis zijn gasfles uitprobeerde en de voorgevel uit zijn woning blies? Hoe je dat aan iedereen vertelde, omdat dit jou vast ook zou overkomen? Je staat daar bonen te bakken en BOEM. Geen wenkbrauwen meer. Geen tent meer. Alleen nog een zwartgeblakerde plek waar ooit jouw droom was.”
“Nou…”
“En verdwalen. Laten we het even over verdwalen hebben. Jij verdwaalt in de supermarkt. Jij verdwaalt in je eigen buurt als je een andere route neemt. En jij wilt de wildernis in? Met een kompas? Ze vinden je over drie weken, als je mazzel hebt, waar je jezelf in leven hebt gehouden met mos en hoop.”
En zo blijft die hike een droom. Veilig in mijn hoofd, waar geen beren zijn.
Ierland, het groene eiland van nee
Of die rondreis door Ierland, Schotland en Engeland. Prachtig toch? De ruige kustlijnen. De mistige heuvels. De pittoreske dorpjes. De pubs waar iedereen spontaan gaat zingen. De kastelen. De geschiedenis. De schaapjes!
Maar dan bedenk ik: de boot. Ik word al zeeziek in het zwembad. Als er te veel golfslag is bij het uitstappen, moet ik even gaan liggen. En nu zou ik het Kanaal overvaren? Urenlang dobberend op die grijze, woeste zee? Ze vinden me hangend over de reling, groen aangelopen, jammerend dat ik gewoon thuis had moeten blijven.
“Oké, dan vlieg ik,” denk ik dapper.
“Vliegtuigen,” zegt mijn brein droog. “In een metalen bus, kilometers boven de grond. Wat als er een vogel in de motor vliegt? Wat als de piloot ineens onwel wordt? Wat als…”
“Dat gebeurt bijna nooit,” protesteer ik.
“Bijna,” merkt mijn brein fijntjes op.
En dan is er nog mijn accent. Mijn dikke, oer-Hollandse accent. Ze verstaan me daar vast niet. Ik vraag naar de weg en krijg een gefronste blik. Ik zeg “hello” en mensen kijken bezorgd.
“Je redt je daar niet,” concludeert mijn brein. “Je verdwaalt, spreekt niemand aan uit schaamte, en je leeft de rest van je leven in een Schotse varensstruik.”
De rondreis blijft in de brochure. Dat lijkt me verstandiger.
De boerderij vol dieren die me aanvallen
Oh, en dan die boerderij van mijn dromen. Met dieren. Veel dieren. Kippen die verse eitjes leggen. Geiten die grappig doen. Misschien een paar alpaca’s omdat die gewoon schattig zijn. Konijnen. Een hond. Twee honden. Vijf honden. En natuurlijk tien katten. Een paard! Ik, op mijn boerderij, een met de natuur, een bloedmooi leven.
Het enige probleem: ik ren in het bos al angstaanjagend snel weg – en ik kan niet eens rennen – zodra ik in de verte een Hooglander zie staan. Die staat er gewoon, doet niks, eet gras, maakt af en toe een “moo”-geluid. Ze zijn compleet ongevaarlijk.
Maar mijn brein denkt daar anders over. “GEVAAR! GROTE KOE MET HOORNS! REN! REN NU!” En ik ren. Struikelend over boomwortels, happend naar adem, terwijl die Hooglander me waarschijnlijk nauwelijks opmerkt. En ik wil een boerderij vol dieren?
“Je wordt levend gegeten door je eigen kippen,” zegt mijn brein. “Kippen zijn dinosauriërs. Dat weet je toch? Directe afstammelingen van de T-Rex. Ze pikken je ogen eruit zodra je even niet oplet.”
“Dat doen kippen niet…”
“En geiten. Die eten alles, inclusief je kleren, terwijl je ze nog aanhebt. En alpaca’s spugen in je gezicht. Op je mooiste shirt. En dan lachen ze je uit, want alpaca’s zijn eigenlijk gewoon gemene lama’s in een schattig jasje.”
De boerderij blijft een Pinterest-bord. Vol foto’s van andermans dieren die er braaf uitzien.
De waarheid achter de leugens
En zo zijn er nog duizend dromen. Die reis. Dat project. Die cursus. Die verandering. Allemaal met perfect geldige redenen waarom het nu niet kan. Waarom het te eng is, te duur, te onpraktisch, te riskant.
We zijn meesters in het onszelf wijsmaken dat we niet kunnen wat we eigenlijk best kunnen.
We vertellen onszelf verhalen die zo overtuigend zijn dat we ze zelf gaan geloven. Verhalen over beren die specifiek op jou zitten te wachten. Over gasflessen en die ene keer ontploffen (googel maar eens, die man heeft echt zijn voorgevel eruit geblazen). Over kippen met slechte bedoelingen.
Maar hier is het ding: ik publiceer dit artikel, nu, op dit moment. Tien jaar geleden dacht ik dat ik nooit meer zou kunnen schrijven. Wat als mensen het stom vinden? Wat als ik mezelf voor gek zet? Wat als niemand het leest, of erger, wat als iedereen het leest en commentaar heeft? En toch, hier is het, woorden op papier (nou ja, op een scherm), geschreven door mij.
Ik heb ook een opleiding journalistiek afgerond. Eentje waar ik doodsbang voor was.
Ik ben niet slim genoeg. Anderen zijn beter. Ik ga zakken. Vijf keer zakken. Ze gooien me eruit. Ik moet mijn familie bellen en zeggen dat ik gefaald heb.
En toch slaagde ik glansrijk met gemiddeld een 9 en hangt er nu een diploma aan de muur.
Dus misschien – en dit is een wilde gok – verzinnen we gewoon heel veel redenen waarom iets niet kan, terwijl het eigenlijk best kan. Misschien zijn die beren helemaal niet zo geïnteresseerd in ons. Misschien ontploffen die gasflessen bijna nooit. Misschien verstaan ze ons Engels in Ierland best aardig (en anders wijzen ze gewoon). Misschien zijn kippen gewoon kippen.
De grote wildernis is ons hoofd
Misschien is de grootste wildernis niet daarbuiten, maar hierbinnen, in ons hoofd. Waar ons brein allerlei spannende horrorverhalen verzint over alles wat fout kan gaan.
Misschien kunnen we gewoon die ene kleine stap zetten. Niet meteen de hele hike. Niet direct de boerderij. Maar één klein stapje.
Een tentje opzetten op een kampeerterrein, om te kijken of je de nacht overleeft. Een dagje naar de kust, om te testen of die boot echt zo erg is (waarschijnlijk wel, maar je overleeft het). Of een Hooglander voorbijlopen zonder te rennen (oké, misschien is dit te ambitieus).
Want wie weet blijken die dromen niet zo eng als we denken. Wie weet worden ze zelfs gewoon… echt. En anders heb je in ieder geval een goed verhaal. Over die keer dat je gasfles inderdaad ontplofte. Of die keer dat een kip je daadwerkelijk aanviel. Of die keer dat een Schot geen jota begreep van wat je zei, maar dat het een verrassend leuke conversatie werd met handen en voeten.
Verhalen zijn ook wat waard. Misschien zelfs meer dan al die verhalen die we onszelf nu vertellen over waarom het niet kan.
En nu ga ik echt die hike plannen. Voor volgend jaar. Of het jaar daarna. Zodra ik een cursus berenafweer heb gedaan. En leer rennen. En therapie heb gehad voor mijn gasflesfobie. Maar echt, ik ga het doen. Binnenkort.
