Ze zeggen dat ieder verhaal ergens begint. Het mijne begon tussen de regels.

Ik ben Eva Krap, en mijn leven stond al vroeg in het teken van verhalen. Ik was een jaar of vijf toen ik ontdekte dat de wereld veel groter was dan ik dacht, niet omdat iemand me dat vertelde, maar omdat ik leerde lezen. Plotseling waren die zwarte krulletjes op papier geen raadsels meer. Ze waren deuren en achter elke deur lag een wereld die op me wachtte.

Appie werd mijn eerste beste vriend. Daarna kwamen De vijf detectives, en voor ik het doorhad las ik onder mijn dekbed met een zaklamp, omdat ik moest weten hoe het afliep. Mijn moeder riep dat het licht uit moest, maar hoe kon ik nou slapen als er ergens een mysterie opgelost moest worden? Die boeken waren niet zomaar vermaak, het was alsof ik door een gleuf in de werkelijkheid gluurde en iets magisch ontdekte: dat je met letters en woorden en zinnen complete werelden kon bouwen. Werelden die even echt aanvoelden als de straat waar ik woonde.

Mijn vader schreef ook verhalen. Ik werd zijn proeflezer, wat achteraf gezien behoorlijk absurd is. Een jong kind dat kritiek geeft op de verhalen van een volwassene. Maar hij nam me serieus. Hij liet me zijn pagina’s lezen, en ik mocht zeggen wat ik ervan vond. Er is één verhaal dat ik nooit ben vergeten: een verhaal over heksen. Een van die heksen loenste.
Loensen.
Ik stopte met lezen en vroeg wat dat betekende. Mijn vader legde het uit, en ik voelde iets verschuiven in mijn hoofd. Vanaf dat moment heb ik nooit meer gezegd dat iemand ‘scheel keek’. Want loensen – dat woord had gewicht, textuur, het had iets wat ‘scheel kijken’ niet had. Het was op dat moment dat ik begreep dat taal niet neutraal is. Taal doet iets. Taal laat je voelen hoe de wereld in elkaar zit, hoe mensen naar dingen kijken, wat er onder de oppervlakte ligt.

En toen ontdekte ik Stephen King. Ik was waarschijnlijk te jong. Mijn ouders hadden me moeten waarschuwen, maar ze deden het niet, en eerlijk gezegd ben ik daar blij om. Wat King deed met woorden was geen literatuur, dat was pure betovering. Als hij over Maine schreef, was ik daar. Ik rook de dennenbomen, voelde de vochtige kilte van de mist die over de wegen kroop, hoorde het gekraak van oude houten vloeren in huizen waar iets niet klopte. Zijn woorden waren geen tekst op papier. Ze leefden.
Het was toen dat ik besefte dat woorden macht hebben. Echte, tastbare macht. Je kunt er levens mee veranderen, angst mee oproepen, troost mee bieden. Maar die macht betekent ook verantwoordelijkheid. Woorden zijn niet onschuldig. Je mag ze nooit lichtzinnig gebruiken.

Natuurlijk belandde ik later in de wereld van boeken. Ik recenseerde ze, las ze voor auteurs die me vroegen of hun verhalen werkten, stond tussen de schappen van een boekhandel waar de geur van papier en inkt en oude verhalen me omringde. Ik schreef zelf meerdere boeken. Ik dacht dat ik het had gemaakt.
Als ik nu terugkijk op die boeken, dan is ‘schamen’ nog te zacht uitgedrukt. Het taalgebruik is erbarmelijk. De zinsconstructies zijn om te huilen – hobbelige, logge zinnen die nergens naartoe leiden. Maar daar blijft het niet bij. Tot overmaat van ramp staan er spelfouten in waar je van schrikt. Het is tenenkrommend werk. En het ergste is: ik zie een jonge vrouw die zo hard probeerde om gezien te worden, om te bewijzen dat ze erbij hoorde, dat ze vergat om écht te schrijven. Ze schreef hard, cynisch, en gebruikte humor als een wapen in plaats van als een uitnodiging. Ze zijn defensief. Ze zijn technisch slecht en emotioneel gesloten. En hoewel ik weet dat ze hoorden bij wie ik toen was, blijven ze pijnlijk om terug te zien.

Dus stopte ik. Schrijven? Dat was voorbij. Ik dacht dat ik er klaar mee was, dat ik had ontdekt dat het toch niet voor mij was weggelegd. Ik verdween een paar jaar uit beeld (oké, bijna tien jaar), en in die tijd leefde ik vooral in de verhalen van anderen. Ik las elke dag – niet omdat het moest, maar omdat het het enige was wat me nog echt raakte. Boeken lieten me andere levens zien, andere werelden, andere manieren van denken. Ze hielden me overeind toen ik zelf even niet wist hoe. Want in die tijd liet ook mijn gezondheid me in de steek. Mijn wereld was klein geworden.

Er gebeurde ook iets anders in die jaren. Ik begon anders te kijken naar taal, naar hoe mensen ermee omgingen in het dagelijks leven. Neem een nieuwsbericht. Tien mensen lezen hetzelfde artikel en zien tien verschillende dingen. Waar kwam dat door? Waarom miste er altijd context? Waarom verdween de nuance zo makkelijk? Wat bleef er over als je alleen maar koppen las, alleen maar fragmenten, alleen maar emotie zonder diepgang? Ik wilde daar iets mee, maar ik wist nog niet wat.

Toen ik tweeënveertig werd, besloot ik een online studie journalistiek te doen. Tweeënveertig. Ik weet het. Maar het voelde goed. Zodra ik begon, kwam alles terug. Niet als een zachte herinnering, maar als een mokerslag. Wat had ik dit gemist. Wat was het heerlijk om eindelijk te schrijven met rust, met aandacht, met respect voor wat woorden kunnen doen. Niet schreeuwen om gehoord te worden, maar vertellen omdat het verhaal ertoe doet. Deze site is daarvan het resultaat: een plek waar ik schrijf zoals ik altijd had willen schrijven.

Ik ben ook weer boeken gaan schrijven. Eerst voorzichtig, alsof ik bang was. Die aarzeling staat erin, en ik vind dat niet erg. Sterker nog, ik vind het mooi. Want wat ik zie in die eerste nieuwe verhalen is iemand die weer leert lopen, die voorzichtig vertrouwen opbouwt in haar eigen stem. In mijn laatste werk zie ik wat er gebeurt als je dat vertrouwen echt vasthoudt: ik zie groei, durf, plezier.

Ben ik klaar? Ben ik uitgeleerd? Absoluut niet. Ik zal nooit een Stephen King zijn, of een Dan Brown, en dat hoeft ook helemaal niet. Want wat ik nu doe, doe ik met passie, met steeds meer helderheid over wie ik ben en wat ik wil zeggen.
In mijn artikelen schrijf ik over van alles: context bij het nieuws, momenten uit mijn eigen leven, observaties over hoe de wereld volgens mij werkt en hoe mensen erin bewegen. In mijn boeken duik ik in iets waar ik al mijn hele leven door gefascineerd ben: onverklaarbare mysteries. Niet op een sensationele manier, niet om te shockeren of om je iets te laten geloven. Ik schrijf erover omdat ze iets in me wakker houden dat kostbaar is: verwondering.

Het is dat besef dat de wereld groter en vreemder is dan wat we kunnen meten of verklaren. We leven in een tijd waarin alles opgelost moet worden, waarin “ik weet het niet” voelt als falen. Maar voor mij is die ruimte tussen weten en niet-weten juist waar het interessant wordt. Daar zit ruimte voor vragen die geen antwoord hoeven te hebben, voor verhalen die generaties lang worden doorgegeven, voor een soort respect voor het onbekende dat we volgens mij een beetje zijn kwijtgeraakt. Ik probeer die verhalen te vertellen zonder ze plat te slaan met conclusies, zonder ze te reduceren tot iets dat makkelijk te consumeren is. Want mysterie is niet iets dat je consumeert. Het is iets waarin je leeft, iets dat je vormt.

Dat is misschien wel de rode draad in alles wat ik doe: die zoektocht naar wat echt is, wat blijft hangen, wat raakt. Of het nu gaat om een nieuwsartikel waar ik context aan probeer te geven, of om een verhaal over iets onverklaarbaars – ik wil altijd een laag dieper gaan, naar die nuance die zo makkelijk verdwijnt als je niet oplet.
Ergens, in al die verhalen, artikelen en zoektochten, ben ik mezelf weer tegengekomen. Niet de jonge vrouw die zich wilde bewijzen, niet die onzekere schrijver die het had opgegeven, maar iemand die eindelijk weet waarom ze dit doet. Niet voor perfectie, niet om iemand na te jagen, maar omdat schrijven voor mij gewoon ademen is.